Ontwerpen binnen het project Landschappelijk bouwen Drentsche Aa moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. Dit om te voorkomen dat er een tijdrovend proces van ‘trail- and error’ tussen architecten en ontwerpbegeleidingscommissie ontstaat.
In de praktijk blijkt het lastig om een aantal randvoorwaarden qua uiterlijke kenmerken te geven. Iedere situatie is uniek en dient daarom op die wijze bekeken worden. Een aantal vaste Drentsche Aa-karakteristieken vaststellen die terug zouden moeten komen in het ontwerp gaat aan de unieke situatie voorbij en kan tevens veroorzaken dat landschappelijk bouwen de uitstraling krijgt van ‘historisch bouwen’. Dit komt de kopieerbaarheid van het ontwerp naar elders in het Drentsche Aa gebied niet ten goede (= ervaring uit pilotproject in Noord-Groningen).
Belangrijker is om van de ligging van het ontwerp ten opzichte van de omgeving uit te gaan. Met dit als uitgangspunt is bepaald om de volgende randvoorwaarden te stellen:
1) Ontwerpen worden tussen landschapsarchitect en architect gemaakt. Voorkomen moet worden dat de bouwontwerpen eerst door een architect gemaakt worden en later nog eens door een landschapsarchitect ‘ingeplaatst’ moeten worden. Er zal een samenspel moeten ontstaan tussen de landschapsarchitect, de boer en de architect.
2) Als eindresultaat worden een aantal tekeningen opgeleverd:
a. Uitgangssituatie (nu); met daarin aangegeven
i. Overzicht van bouwerf in de wijde omgeving (i.v.m. zichtlijnen)
ii. Hoogteverschil
iii. Alle bebouwing
iv. Alle paden
v. Alle beplanting met massa (bomen, struiken, hagen)
b. Toekomstige situatie; met daarin aangegeven:
i. Overzicht van bouwerf in de wijde omgeving (i.v.m. zichtlijnen)
ii. Hoogteverschil
iii. Alle bebouwing
iv. Alle paden
v. Alle beplanting met massa (bomen, struiken, hagen)