Het aanzicht van het landelijk gebied wordt sterk bepaald door agrarische bedrijfsgebouwen. Tot de 19e eeuw waren vorm, afmeting en materiaalgebruik afgestemd op lokale tradities en cultuurhistorische referenties. De oude Drentse boerderijen vormen met hun kenmerkende eiken erfbeplanting een onderdeel van het oude cultuurlandschap. De maat en schaal van de boerderij werd bepaald door de eigen dynamiek van de stal, de opslag, het voorhuis en bijschuren. Agrarische bedrijven met combinaties van veehouderij en akkerbouw leverden een georganiseerde bijdrage aan het ontstaan van het landschap en de nu afleesbare geschiedenis. Het erf was functioneel ingericht in een voor- en achterkant. Waarbij voor gericht was op het wonen met siertuin, moestuin, boomgaard, haagbeuk en statige eik en achter bestemd was voor het bedrijf, het vee en de opslag.
De boerderij was gebaseerd op het hallentype en de relatie met het landschap kenmerkte zich door de grote mate van samenhang in vorm, kleur en setting. Het oude cultuurlandschap van Drenthe bezit een veelvoud aan historisch erfgoed. Veranderingen daarop kwamen in de 20e eeuw tot stand door de mechanisatie, de schaal vergroting, de ruilverkaveling en het gebruik van kunstmest. Oude tradities die de ruimtelijke kwaliteit van het landschap dienden maakten plaats onder invloed van de industrialisatie van het boerenbedrijf. Productiecijfers en daarvoor noodzakelijke schaalvergroting bepaalde dat de boerderij, bedrijfsgebouw ging heten. De industrialisatie van de agrarische bedrijfstak legde haar wil op aan het ‘oude’ landschap. In de grootschalige verveningsgebieden in Drenthe bood dit echter ook nieuwe kansen voor bedrijfsontwikkeling.
In het agrarische gebied langs de Drentsche Aa heeft de dynamiek van schaalvergroting nauwelijks plaats gevonden. De kwaliteit van het landschap en de afwezigheid van grootschalige agrarische bedrijven zijn mede bepalend geweest bij de afweging tot Nationaal Beek en Esdorpenlandschap Drentsche Aa. Uitgangspunten daarbij zijn een verbrede aandacht voor niet alleen de natuur maar ook voor de landbouw en de leefbaarheid van kleine kernen. Aan de ontwikkelingen in en van het gebied zullen voorwaarden worden gesteld. Het gebied beslaat ruim 10.000 ha waarvan ongeveer een derde natuurgebied, een derde aan agrarisch gebied en een derde bebouwing.
Het gebied bestaat voor grote delen uit EHS en er wordt oppervlaktewater gewonnen voor drinkwater. De natuurgebieden zijn ook aangemeld als EU-Habitatgebied. Nationale landschappen zijn gebieden met een zeldzame of unieke kwaliteit met kenmerkende samenhang en bijzondere natuurlijke en recreatieve kenmerken. Het doel is om deze kwaliteiten te behouden en duurzaam te beheren en te versterken. Uitgangspunt voor ruimtelijke beleid is behoud door ontwikkeling, dit betekent een zogenaamde ‘ja mits-aanpak’. De basisfilosofie is, “kwaliteit in het ontwerp”. Ontwikkeling is toegestaan en zelfs gewenst, maar moet in het verlengde liggen van de ontstaansgeschiedenis en de bestaande landschapstructuren. De kenmerken van het landschap moeten worden versterkt in plaats van afgevlakt door een vermenging van oneigenlijke elementen.

Het bouwen in Nationaal Landschap de Drentsche Aa met als kern het driehoekgebied Assen-Glimmen- Gieten vraagt om een specifieke aanpak ten aanzien van maatvoering, schaal en architectonische kwaliteit van de ontwerpen. Uitbreiding van bestaande landbouwbedrijven (waaronder intensieve veehouderij) wordt niet uitgesloten maar mogelijk gemaakt met als voorwaarde inpassing en aanpassing. De grondgebonden landbouw is een belangrijke drager van het cultuurlandschap. Deze sector verdient een duurzaam toekomstperspectief met een eventuele verbreding van de bedrijfsvoering. Schaalvergroting van de veehouderij kan, maar een veestapel vergroten van 60 koeien naar 200 koeien of nog verder naar bijvoorbeeld 400 stuks melkvee in de toekomst, vraagt om maatwerk. Een bestaande stal 3 of 4 keer vergroten is geen oplossing in het Nationaal Landschap de Drentsche Aa. Zorgvuldige inpassing is dat wel, onder het motto dierenwelzijn, landschapswelzijn.
Kwaliteit in ontwerp, maatstaf voor bouwplanontwikkeling
In het uitvoeringsplan Nationaal Landschap Drentsche Aa wordt de landbouw ontwikkelingsperspectief geboden. “Duurzame landbouw is op de middellange termijn en in de eindsituatie weer een economisch sterke sector in het Drentsche Aa gebied. Daarnaast is en blijft zij een van de belangrijke beeldbepalers en draagt zij bij aan de levendigheid en de identiteit van het gebied.”
Van duurzame landbouw naar duurzaam ontwerpen vraagt om een specifieke aanpak en ook om de bereidheid om compromissen te willen sluiten tussen landschapsaanpassingen ten behoeve van de inpassing en bedrijfsmatige voorwaarden. Hoge landbouwkundige en bedrijfsmatige eisen voor nieuwe loopstallen zorgen veelal voor hogere bouwvolumes en open gevels. Dergelijke vormen zijn nauwelijks in te passen bij bestaande boerderijen, dit leidt vaak tot schaalconflicten en landschapsverstoringen.
Toch zijn er wel degelijk mogelijkheden om nieuwe bedrijfsgebouwen zo te ontwerpen dat er een samenhangende en aanvaardbare beeldkwaliteit tot stand kan worden gebracht.
Een nauwe samenwerking tussen de agrariër, (landschaps)architect en gemeente en provincie levert goed inpasbare bouwplannen op. Gezamenlijk optrekken gedurende het planproces met daarbij ruime aandacht voor terugkoppeling en overleg verkort tevens de duur tussen idee, moment en bouw. Met deze methodiek is gedurende het project ‘Landschappelijk bouwen Drentsche Aa’ proefgedraaid. Projectmatig werken is een voorwaarde om de inbreng en wensen van de agrarisch ondernemer, het dierenwelzijn, de voorwaarden en beperkingen van het landschap, de bedrijfsmatige condities, de gemeentelijke bestemmingsplanvoorwaarden, de provinciale richtlijnen en visies uit de Wro, de bouwvergunningprocedures en de planbeoordeling middels de gemeentelijke welstandsnota in een integrale aanpak mee te nemen.
De agrariër
Het proces begint vanuit de wens van de agrariër om te bouwen. Centraal hierbij staat voor een agrariër om binnen de context van het landschap te kunnen werken aan een duurzame voortzetting van het bedrijf. Bedrijfseconomische eisen, voorwaarden ten aanzien van milieu en dierwelzijn en persoonlijke smaak geven input voor het planproces.

De landschapsarchitect
Vervolgens is het noodzakelijk dat er een ruimtelijke analyse van het bestaand erf met daarop de gebouwen wordt gemaakt. Hoe staan de gebouwen ten opzichte van elkaar, wat voor ruimte zit er tussen en hoe verhoud een en ander zich ten opzichte van de omliggende wegen, de open ruimte en de aanwezige aanplant. Ook een goede analyse van de zichtlijnen uit de omgeving is noodzakelijk. Pas als er door een landschapsarchitect een dergelijke ruimtelijke analyse is gemaakt kan iets worden gezegd over de contouren op het erf, waarbinnen de gewenste nieuwe gebouwen mogelijk zijn of dat (als er op en specifieke plek moet worden gebouwd) er voorwaarden moeten worden gesteld.
Die voorwaarden hebben dan meestal betrekking op maximale lengte en breedte van het gebouw, de nokrichting en de noodzakelijke beplanting om de landschappelijke inpassing te kunnen realiseren. Een landschapsarchitect legt in de ruimtelijke analyse een verband met de historische gebiedskenmerken, heeft contact met de provinciale archeoloog vanwege de noodzaak van een verkennend bodemonderzoek. Dus, nog voordat er gedacht wordt over het maken van een bouwkundig ontwerp, zijn de ruimtelijke en fysieke analyse bepalend voor situering, positie en inpassing. De landschaparchitect maakt een locatieschets waarin het erf, de beplanting de gebouwen maar ook de voorzieningen zoals kuilvoer, droge voersilo’s worden opgenomen. (zie tekening).
De architect
Met de voorwaarden uit de gebieds-/locatieanalyse, de locatieschets en de bedrijfsmatige context gaat de architect aan het werk. Het is de opgave van de architect om de nieuwbouw in harmonie te brengen met de vormen van de bestaande schuren en de (oude) boerderij zodat er op het erf een samenhangend geheel ontstaat.

Bouwaanvraag en welstand
Een integrale projectaanpak maakt het mogelijk om de inbreng van deskundigheid op het juiste moment beschikbaar te krijgen. Voor de bouwvergunningprocedure en daaraan verbonden welstandbeoordeling is intensief overleg met de gemeente gewenst. Bij de gemeente wordt op ambtelijk niveau contact gelegd met externe adviseurs zoals Drents Plateau. Aan de hand van de gemeentelijke welstandsnota worden de randvoorwaarden ten aanzien van de ligging, massa en vorm en de materiaaltoepassing besproken. Maar vooral wordt dan hetzij met de rayonarchitect of met de welstandscommissie beraadslaagt of het bouwvoorstel er in slaagt de samenhang tussen landschap, bestaande gebouwen en nieuwbouw vormgeving te bewerkstelligen. De rayonarchitect van Drents Plateau, die elke week bij de gemeente aanwezig is, kan al bij de uitkomsten van de gebiedsanalyse door de landschapsarchitect en in de ontwerpfase van de architect gevraagd worden. Is de gewenste nieuwbouw alleen maar mogelijk middels een wijziging van het bestemmingsplan, de zgn Wro art 3, dan is de inschakeling van de rayon architect noodzakelijk. Hij/zij zal dan wijzen op de noodzaak van een aanvulling op de welstandsparagraaf voor het betreffende adres en zal daarvoor in overleg met de gemeente een opzet maken. De rayonarchitect werkt daarbij samen met de landschapsarchitect, legt verbindingen met de welstandscommissie en zorgt er voor dat de aanvullende welstand- voorwaarden ook beleid worden bij de gemeente.